Japanse Grammatica: een Basis

Inhoudsopgave

1.1 - Een staat van zijn uitdrukken

  • Zeggen dat iets “iets” is met behulp van 「だ」
  • Vervoegen naar de ontkenning
  • Vervoegen naar de verleden tijd
  • 1.2 - Introductie van partikels

  • Het onderwerpspartikel 「は」
  • Het inclusiviteitspartikel 「も」
  • Het identificatiepartikel 「が」
  • 1.3 - Adjectieven (bijv./bijw.naamwoorden)

  • Het na-adjectief
  • Het i-adjectief
  • Een uitzondering
  • 1.4 - Beginselen van werkwoorden

  • Het rol van werkwoorden
  • Werkwoorden verdelen in -ru en -u uitgang
  • Uitzonderingen: -u werkwoorden met -iru / -eru
  • 1.5 - Ontkenningen

  • Werkwoorden vervoegen naar ontkennende vorm
  • Vervoegingsregels per werkwoordsoort
  • 1.6 - Verleden tijd

  • De verleden tijd van -ru werkwoorden
  • De verleden tijd van -u werkwoorden
  • Verleden tijd ontkenning van alle werkwoorden
  • 1.7 - Partikels voor gebruik bij werkwoorden

  • Het lijdend voorwerpspartikel「を」
  • Het doelpartikel「に」
  • Het richtingspartikel「へ」
  • Het contextpartikel「で」
  • 1.8 - Transitieve en intransitieve werkwoorden

  • Let op de partikels
  • 1.9 - Betrekkelijke bijzinnen en algemene zinsopbouw

  • Bijzin met staat van hoedanigheid als adjectief
  • Bijzinnen met werkwoorden als adjectief
  • Woordvolgorde
  • 1.10 - Verbindingspartikels bij zelfstandig naamwoorden

  • Inclusiviteitspartikel と
  • Vage opsommingspartikels「や」en「とか」
  • Het partikel「の」
  • 1.11 - Bijwoorden en slotpartikels

  • De eigenschappen van bijwoorden
  • Partikels aan het einde van zinnen
  • Waarom deze aanpak?


    Het probleem met veel lesboeken is dat ze vaak de volgende doelen hebben:

    1. Ze willen dat lezers zo snel mogelijk functioneel en beleefd Japans kunnen gebruiken. 
    2. Ze willen lezers niet wegjagen met het vreselijk ingewikkeld ogende Japanse schrift / Chinese karakters. 
    3. Ze willen je in feite leren hoe je Engelse [of Nederlandse] zinnetjes kunt zeggen "in het Japans". 

    Bij Europese talen zoals Duits of Spaans levert dit doorgaans weinig tot geen problemen op, aangezien die talen aan elkaar verwant zijn en/of veel gemeen hebben qua structuur. Omdat het Japans echter op bijna elke wijze anders is - tot de manier van denken toe - zorgt deze aanpak voor een hoop verwarrende lesboeken. Vaak staan ze vol onsamenhangende stukken grammatica bedoeld voor specifieke Engelstalige uitdrukkingen. Daardoor onstaan kromme "regels" die later alsnog aangepast moeten worden, zeker als het niet overeenkomt met hoe zo'n uitdrukking in het Nederlands wordt gebruikt. Bovendien gebruiken ze zelden (vroeg) genoeg kanji, waardoor je - als je dan eindelijk in Japan bent - alsnog geen kaart, menu, bordje of wat dan ook lezen kunt.  

    De kern van dit probleem ligt bij het feit dat deze lesboeken je Japans proberen te leren vanuit het Engels. Op pagina één willen ze je namelijk meteen leren hoe je "Goedemiddag, mijn naam is Steven, ik kom uit Nederland en houd van oude samurai films." zegt, maar ze vertellen er bij niet hoeveel beslissingen er achter jouw rug om zijn genomen. Waarschijnlijk gebruiken ze de neutrale beleefdheidsvorm van werkwoorden, ook al is dat eigenlijk een vervoeging van de basisvorm die je in woordenboeken aantreft. Grote kans dat ze een expliciet persoonlijk voornaamwoord gebruiken, ook al is dit niet altijd nodig. Deze wordt in de praktijk vaak weggelaten, omdat het merendeel van de informatie in het Japans toch uit de context wordt gehaald. De gebruikelijkste manier om te zeggen "Ik ben Steven" is eigenlijk gewoon "Steven [is]". Daar komt bij dat er zeker een dozijn verschillende woorden bestaat voor "ik", die de spreker stuk voor stuk heel verschillend over laten komen. Dan hebben we het nog niet eens gehad over het feit dat "ergens van houden" in de Japanse grammatica heel anders in elkaar steekt. 

    De meeste lesboeken leggen dit  niet uit, omdat ze je zo snel mogelijk de straat op hopen te sturen met 'nuttige' zinnetjes. Nogmaals, dit kan de juiste aanpak zijn als je werkelijk geen tijd hebt voor enige studie of geen behoefte hebt aan meer dan wat je nodig hebt op vakantie. Voor wie het Japans wel beter wil begrijpen, zijn de "Gebruik [Y] als je [X] zeggen wil" constructies van veel lesboeken een samenraapsel dat de lezer in verwarring laat over hoe en waarom. 

    De oplossing ligt in het benaderen van deze taal vanuit het eigen perspectief, zonder geforceerde pogingen te doen om iets dat je in het Nederlands wilt zeggen, in een Japanse vorm te gieten. Dat doe je door een volgorde te kiezen die voor het Japans logisch is. Als je [A] moet weten om [B] goed te begrijpen, ga dan niet eerst [B] bespreken enkel omdat je een typisch Nederlandse zin probeert om te zetten.


    ---------------------------------------------
    Voor meer gedetailleerde informatie, zie:
    A Dictionary of Basic Japanese Grammar

    1.1 - Een staat van zijn uitdrukken


    1.1.1 – Zeggen dat iets “iets” is met behulp van 「だ」


    Één van de lastigere dingen om mee te beginnen is het gebrek aan een 1-op-1 vertaling voor het werkwoord “zijn” in het Japans. Hiervoor bestaan ten minste drie verschillende werkwoorden, afhankelijk van in welke context en voor welk onderwerp het gebruikt wordt. Om simpel te beginnen: door「だ」achter een zelfstandig naamwoord of na-adjectief* te zetten kun je aangeven dat het onderwerp "dat" is. 

    *(adjectieven -d.w.z. bijvoeglijk naamwoorden- behandelen we in deel 1.3)


    Woordenschat

    • 人 【ひと】    - persoon
    • 学生【がく・せい】 - student / leerling
    • 元気【げん・き】  - gezond; levendig * - gebruikt bij begroeting om te vragen hoe het met iemand gaat -


    Voorbeelden

    • 人だ。         Is persoon.
    • 学生だ。     Is student.
    • 元気だ。     Is goed.

    Makkelijk, toch? Maar let op: een status / hoedanigheid kan ook uitgedrukt worden zonder 「だ」!


    Je kan zeggen dat iemand student is of dat het goed met iemand gaat zonder dit expliciet te benoemen met 「だ」. Onderstaand voorbeeld is typisch voor een ontmoeting tussen vrienden. Zoals je ziet wordt er daarbij ook geen onderwerp genoemd, omdat de context voor zich spreekt.

    A: 元気?       (Alles) goed?

    B: 元気。       (Gaat) goed.


    Misschien dat je je afvraagt, “Wat heeft het dan voor nut om 「だ」te gebruiken?”. Het belangrijkste verschil is dat het een uitdrukking nadrukkelijker maakt; het zet een beetje kracht bij. Vandaar dat het (ietsje) vaker door mannen gezegd wordt aan het einde van zinnen. Ook is bij sommige grammaticale constructies 「だ」simpelweg nodig of verplicht. Daar staat tegenover dat er ook uitdrukkingen bestaan waarbij je het juist niet mag gebruiken. Beetje lastig allemaal, maar voorlopig hoef je je daar nog niet druk om te maken.



    1.1.2 – Vervoegen naar de ontkenning


    Woordenschat

    • 学生【がく・せい】- student, leerling
    • 友達【とも・だち】- vriend
    • 元気【げん・き】 - gezond; levendig * - gebruikt bij begroeting om te vragen hoe het met iemand gaat -

    In het Japans wordt zowel verleden tijd als ontkenning gevormd door vervoegingen. We kunnen dus (met een hulpwerkwoord) ook een zelfstandig naamwoord of adjectief aanpassen om te zeggen dat iets [X] was of dat iets niet [X] is. Om te beginnen bij de ontkenning:

    Voeg 「じゃない」toe aan een zelfstandig naamwoord of na-adjectief.


    Voorbeelden

    • 学生じゃない。  Is niet student. 
    • 友達じゃない。  Is niet vriend. 
    • 元気じゃない。  Gaat niet goed.

    Dit is geen bekrachtiging zoals het geval van 「だ」. Hoe we ontkennende beweringen nadruk kunnen geven bespreken we in een later hoofdstuk.



    1.1.3 - Vervoegen naar de verleden tijd


    Woordenschat

    • 学生【がく・せい】 - student, leerling
    • 友達【とも・だち】 - vriend
    • 元気【げん・き】  - gezond; levendig

    Een ‘gewone’ verleden tijd kun je maken door 「だった」achter een zelfstandig naamwoord of na-adjectief te plakken. Voor een ontkenning in de verleden tijd vervang je de「い」uit「じゃな」door「かった」.


    Voorbeelden

    • 学生だった。     Was persoon.
    • 友達じゃなかった。  Was geen student.
    • 元気じゃなかった。  Ging niet goed.



    1.1.4 – Samenvatting vervoegingen van「だ」


    Nu hebben we een hoedanigheid leren uitdrukken in vier simpele vormen: tegenwoordig, verleden, bevestigend en ontkennend. In het volgende hoofdstuk gaan we kennismaken met partikels, waarmee we de rol van woorden binnen de zinstructuur kunnen defineren. Hieronder een overzicht tot dusver:


     bevestigend
     ontkennend
    niet-verleden tijd
     学生だ         Is student
     学生じゃない           Is geen student
     verleden tijd
     学生だった  Was student
     学生じゃなかった   Was geen student

    1.2 - Introductie van partikels


    1.2.1 – Grammaticale functie bepalen met partikels


    Om goed gebruik te kunnen maken van wat we in de vorige les behandeld hebben, gaan we meer zelfstandig naamwoorden toevoegen. Dit doen we met behulp van zogehete “partikels”. Een partikel is één of meerdere hiragana tekens die achter een woord geplaatst wordt om de functie van dat woord in de zin aan te geven. Het gebruik van de juiste partikels is erg belangrijk, omdat de hele betekenis van een zin kan veranderen als je een partikel veranderd. De zin “De vis(sen) eten” (met vis als onderwerp) kan zomaar “Vis eten” (met vis als lijdend voorwerp) worden door één partikel te veranderen.



    1.2.2 – Het onderwerpspartikel 「は」


    Woordenschat

    1. 学生【がくせい】 - student, leerling

    2. うん       - ja (informeel)

    3. 明日【あした】  - morgen

    4. ううん      - nee (informeel)

    5. 今日【きょう】  - vandaag

    6. 試験【しけん】  - toets, examen


    Het eerste partikel dat we gaan leren is het onderwerpspartikel, wat aangeeft waar je het op dit moment over hebt; wat het onderwerp van je zin of gesprek is. Dat hoeft niet altijd overeen te komen met het grammaticaal onderwerp (degene die het werkwoord ‘doet’;). In principe is “Niet student” in het Japans een acceptabele, volledige zin. Het vertelt ons echter wel heel weinig, als we niet weten waar het eigenlijk over gaat. Dit laatste kun je uitdrukken met behulp van「は」. In het Nederlands kennen we zoiets niet en wordt het dus ook niet vertaald. Voor het gemak kun je het beschouwen als “Wat betreft …”.

    Let op: hoewel het wordt geschreven met het karakter voor /ha/ spreek je het in dit geval uit als /wa/.


    Voorbeeld 1

    トム:サンネは学生?   Tom: (Is) Sanne student?

    サンネ:うん、学生。   Sanne: Ja, (ik ben) student.


    In dit geval geeft Tom aan dat zijn vraag over Sanne gaat. Omdat het onderwerp al bepaald is, hoeft Sanne het niet te herhalen om de vraag (over haarzelf) te beantwoorden. Overigens ziet dit er voor niet-Japanners misschien vreemd uit, maar in Japan is het heel normaal om iemand met diens naam aan te duiden als onderwerp in een zin, in plaats van “jij” of “u” te gebruiken.


    Voorbeeld 2

    トム:バスは明日?        Tom: (Is) Bas morgen?

    サンネ:ううん、明日じゃない。  Sanne: Nee, (is) niet morgen.


    Aangezien er geen context is, kunnen we hier niet echt een touw aan vast knopen. Het is natuurlijk onzin om te vragen of Bas letterlijk “de volgende dag” is. Met een beetje meer context kan het echter een heleboel betekenen, zolang de zin maar iets te maken heeft met Bas en morgen. Bijvoorbeeld, een gesprek over wanneer de examens zijn.


    Voorbeeld 3

    サンネ:今日は試験だ。   Sanne: Vandaag zijn examens.

    トム:バスは?       Tom: En (wat betreft) Bas?

    サンネ:バスは明日。    Sanne: Bas (is) morgen. [d.w.z. Bas heeft morgen examen.]



    1.2.3 – Het inclusiviteitspartikel 「も」


    Woordenschat

    1. 学生【がくせい】- student, leerling

    2. うん   - ja (informeel)

    3. ううん  - nee (informeel)

    4. でも   - maar


    Een ander partikel dat veel weg heeft van het onderwerpspartikel is het “inclusieve onderwerp” partikel 「も」. In feite gedraagt dit zich precies zoals het gewone onderwerpspartikel, maar dan met de bijkomende betekenis “ook”. Het introduceert of benoemt een onderwerp van gesprek, bovenop hetgeen dat al genoemd is.


    Voorbeeld 1

    トム:サンネは学生?      Tom: Is Sanne [jij] student?

    サンネ:うん、バスも学生。   Sanne: Ja, en Bas is ook student.


    Let erop dat het gebruik van 「も」altijd consistent moet zijn met de rest van de zin. 

    Het zou immers niet logisch zijn om te zeggen “Ik ben student en hij is ook niet student.”


    Voorbeeld 2

    トム:サンネは学生?           Tom: Is Sanne [jij] student?

    サンネ:ううん、バスも学生じゃない。   Sanne: Nee, en Bas is ook niet student.


    Voorbeeld 3

    トム:サンネは学生?           Tom: Is Sanne [jij] student?

    サンネ:うん、でもバスは学生じゃない。  Sanne: Ja, maar Bas is niet student.



    1.2.4 – Het identificatiepartikel 「が」


    Woordenschat

    1. 誰  【だれ】   - wie

    2. 学生 【がくせい】 - student, leerling

    3. 私  【わたし】  - ik, mij


    Goed, nu kunnen we een onderwerp aanduiden met 「は」en「も」. Maar wat als we (nog) niet weten wat het onderwerp is? Wat als ik zou willen vragen “Wie is de student?” Dit waar het partikel 「が」om de hoek komt kijken. Wanneer een vraag gesteld wordt met 「が」komt deze ook terug in het antwoord. 


    Voorbeeld 1

    トム:誰が学生?     Wie is degene die student is?

    サンネ:バスが学生。   Bas is degene die student is.


    Tom wil weten wie van alle mogelijke onderwerpskandidaten student is. Sanne antwoord dat Bas die persoon is. Als Tom daarvoor het 'gewone' onderwerpspartikel 「は」voor zou gebruiken, wordt de zin "Is Wie de student?" en dat is onzin want "wie" is geen daadwerkelijk persoon. Op het eerste gezicht lijkt deze sterk op het eerste onderwerpspartikel; met name omdat geen van beide bestaan in het Nederlands en dus niet vertaald kunnen worden.


    Voorbeeld 2

    私は学生。 Ik ben student. → (Wat betreft) ik, (ik ben) student. 

    私が学生。 Ik ben student.  → Ik (ben) degene die student (is). 


    Voorbeeld 3

    誰が学生?   Wie is degene die student is?

    学生は誰?   Wat studenten betreft, wie is het?



    1.2.5 – Het verschil tussen「は」en「が」


    [onder constructie]

     

    1.3 - Adjectieven

    1.3.1 - Eigenschappen van adjectieven


    Nu we twee zelfstandig naamwoorden kunnen koppelen met een paar verschillende partikels, willen we allicht onze zelfstandig naamwoorden gaan beschrijven met wat bijvoeglijk naamwoorden. Zo'n "adjectief" zegt iets over het woord dat er direct op volgt. In het Japans zijn er twee soorten adjectieven: één die gebruik maakt van een partikel (zoals bij zelfstandig naamwoorden) en één die vervoegd kan worden (zoals bij werkwoorden).



    1.3.2 - Het na-adjectief


    Woordenschat

    1. 静か【しず・か】   - stil, rustig (na-adj)
    2. 人 【ひと】    - persoon
    3. きれい 【綺麗】   - mooi, schoon (na-adj)  
    4. 友達【とも・だち  - vriend
    5. 親切【しん・せつ】  - aardig (na-adj)
    6. 魚【さかな】    - vis
    7. 好き【す・き】    - geliefd, begeerlijk (na-adj)
    8. 肉【にく】     - vlees
    9. 野菜【や・さい】  - groenten


    De na-adjectieven zijn heel simpel te leren omdat ze zich in feite net zo gedragen als zelfstandig naamwoorden. Alle vervoegingsregels (bijv. wat betreft 「だ」) die voor zelfstandig naamwoorden gelden, gelden ook voor na-adjectieven. Het voornaamste verschil is dat laatstgenoemden een zelfstandig naamwoord kunnen aanpassen door 「な」tussen beiden te plaatsen - vandaar de naam. 


    Voorbeeld 1

    1. 静か人。   Rustig persoon.
    2. きれい人。  Mooi persoon. 

    Voorbeeld 2

    1. 友達は親切。     Vriend is aardig.
    2. 友達は親切な人だ。  Vriend is aardig persoon. 


    Zoals gezegd kunnen ze eruit zien als zelfstandig naamwoorden en voorkomen in combinatie met partikels en vervoegingen van 「だ」.


    Voorbeelden

    1. トムは魚が好きだ。       Tom houdt van vis. 
    2. トムは魚が好きじゃない。    Tom houdt niet van vis.
    3. トムは魚が好きだった。     Tom hield van vis. 
    4. トムは魚が好きじゃなかった。  Tom hield niet van vis. 


    Hier zie je een goed voorbeeld van het samenspel tussen onderwerpspartikel en identificatiepartikel: we weten daarmee dat de zin gaat over "Tom" en dat "vis" het specifieke iets is waar hij van houdt. Als je het lastig vindt dat het werkwoord "leuk vinden / houden van" zich in het Japans gedraagt als adjectief, helpt het om het gewoon te zien als "geliefd" o.i.d. 

    De bovenstaande drie vervoegingen kunnen ook direct gebruikt worden om een zelfstandig naamwoord aan te passen. Enkel bij de positieve niet-verleden tijd moet je 「な」toevoegen. 


    Voorbeelden

    1. 魚が好きな人。      Persoon die van vis houdt. 
    2. 魚が好きじゃない人。   Persoon die niet van vis houdt.
    3. 魚が好きだった人。    Persoon die van vis hield.
    4. 魚が好きじゃなかった人。 Persoon die niet van vis hield.


    Dankzij het partikel 「な」vormt het hele stuk van 「魚が好き」("de vis is geliefd") een beschrijving van 「人」 om zo te kunnen praten over "mensen die van vis houden". Als je 「人は魚が好きだ」zou zeggen betekent dat "mensen houden van vis", wat natuurlijk niet altijd waar is. Wat je vervolgens wel kunt doen, is de hele clausule inclusief zelfstandig naamwoord gebruiken alsof het één enkel zelfstandig naamwoord is, bijvoorbeeld om dat het onderwerp te maken van een volgende actie.


    Voorbeelden

    1. 魚が好きだじゃない人は、肉が好きだ。   (Wat betreft) persoon die niet van vis houdt, houdt van vlees.
    2. 魚が好きな人は、野菜も好きだ。    (Wat betreft) persoon die van vis houdt, houdt ook van groente. 



    1.3.3 - Het i-adjectief


    Woordenschat


    1. 嫌い【きら・い】   - gehaat, hekel hebben aan
    2. 食べ物【たべもの】  - voedsel
    3. おいしい【美味しい】 - lekker (i-adj)
    4. 高い【たか・い】   - hoog, lang; duur  (i-adj) 
    5. ビル          - gebouw
    6. 値段【ね・だん】   - prijs (als in: kosten)
    7. レストラン       - restaurant
    8. あまり/あんまり    - niet veel, zelden (in combinatie met werkwoord in ontkenning)
    9. 好き【す・き】    - geliefd, leuk vinden
    10. いい         - goed  (i-adj) 



    Alle i-adjectieven eindigen op het hiragana karakter「い」. Bij 1.3.2 zag je echter dat sommige na-adjectieven zoals「きれい(な)」ook op een 「い」eindigen. Wat is dan het verschil? Het woord「きれい」 bestaat eigenlijk uit twee kanji, met de resp. uitspraken き・れい「綺麗」of「奇麗」. Omdat de -i hier deel uit maakt van een kanji is het dus geen echt i-adjectief. Zo zijn er gelukkig maar heel weinig na-adjectieven met een daadwerkelijke「い」. Het hele punt van die laatste「い」in i-adjectieven is namelijk juist dat je ze kunt vervoegen. Één van de zeldzame na-adjectieven waarbij dat wel zo is, is「嫌い」. Dat heeft te maken met het feit dat het van een werkwoord afkomstig is: 「嫌う」. (daarover meer in latere hoofdstukken)

    Om een zelfstandig naamwoord aan te passen kun je i-adjectieven direct ervoor plaatsen; er hoeven geen partikels tussen. 


    Voorbeeld


    1. 嫌い食べ物。   Gehaat voedsel.
    2. おいしい食べ物。  Smakelijk voedsel.



    Vervoegingsregels

    Voor de ontkennende vorm vervang je de achteraan hangende「い」door「くない」.

    Bijvoorbeeld おいし → おいしくない


    Voor de verleden tijd vervang je (bij zowel de bevestigende als ontkennende vorm) de「い」door 「かった」.

    Bijvoorbeeld: おいし → おいしかった

    おいしくな → おいしくなかった


    Oftewel:

              bevestigend           ontkennend

    niet-verleden tijd    おいしい    is lekker     おいしくない    is niet lekker

    verleden tijd      おいしかった  was lekker    おいしくなかった  was niet lekker


    Merk hierbij op dat i-adjectieven het hulpwerkwoord "zijn" als het ware al in zich hebben. Zet dus GEEN 「だ」achter vormen van een i-adjectief.


    Voorbeelden


    1. 高いビル。      Hoog gebouw. [gebouw dat hoog is]
    2. 高くないビル。    Niet hoog gebouw.
    3. 高かったビル。    Gebouw dat hoog was.
    4. 高くなかったビル。  Gebouw dat niet hoog was. 


    Net als met na-adjectieven kun je ook hier een bijwoordelijke bepaling maken (het zinsdeel gebruiken als beschrijving van een zelfstandig naamwoord). Het enige verschil is dat we geen 「な」nodig hebben om de stukken te koppelen. 


    Voorbeeld

    値段が高いレストランはあまり好きじゃない。 Ik houd niet zo van dure restaurants. 



    1.3.4 - Een uitzondering


    Dit is zo'n typisch voorbeeld van hoe Japans lastig kan zijn voor beginners, omdat een paar van de meest gebruikte woorden ook vaak de uitzonderingen vormen op regels.


    Woordenschat


    1. 値段【ね・だん】- prijs (als in: kosten)
    2. あまり/あんまり - niet veel, zelden (in combinatie met werkwoord in ontkenning)
    3. いい (i-adj) - goed
    4. 彼【かれ】- hij
    5. かっこいい (i-adj) - cool; knap (gezegd over jongens/mannen)


    Er is één i-adjectief dat "goed" betekent dat zich ietsje anders vervoegd dan de rest. Vroeger was het woord "goed" namelijk「よい(良い)」. In de loop der tijd is dat「いい」geworden. Als「良い」in kanji staat geschreven wordt het meestal wel uitgesproken als「よい」, maar 「いい」staat vrijwel altijd in hiragana en dan is dat geen probleem. Jammer genoeg houdt men bij het vervoegen echter nog steeds de stam 「よ」aan, NIET 「い」. Een ander adjectief dat op dezelfde manier vervoegd wordt is 「かっこいい」, omdat dit eigenlijk een afgekorte samenvoeging is van 「格好」en「いい」. 


    Voorbeelden


    1. 値段があんまりよくない。 Prijs is niet zo goed. 
    2. 彼はかっこよかった!   Hij zag er cool uit!


    1.4 - Beginselen van werkwoorden

     

    1.4.1 - De rol van werkwoorden


    Op dit punt hebben we al best wat mogelijkheden om ons uit te drukken, door zelfstandig naamwoorden te beschrijven met andere zelfstandig naamwoorden en adjectieven. Daaraan ontbreekt nog één cruciaal element: het kunnen beschrijven van handelingen. Dit doen we uiteraard met behulp van werkwoorden, die in het Japans altijd aan het einde van een (bij)zin staan.* Werkwoorden zelf eindigen in principe altijd op /u/ klanken. 




    * ( Aangezien we nog niet geleerd hebben hoe je bijzinnen maakt, betekent dat voorlopig dat elke zin met een werkwoord erin moet eindigen met het werkwoord. )


    NB: Voordat we verder gaan is het ook goed om het volgende te weten: een grammaticaal correcte zin heeft alleen een werkwoord nodig.

    Anders gezegd, in tegenstelling tot het Nederlands kan in het Japans een complete zin uitgedrukt worden met niets anders dan een werkwoord. Daarom zijn de simpelste Japanse zinnen het moeilijkst te vertalen! 

    Voorbeeld
    食べる。 Eten. [mogelijke betekenissen: Ik eet. / Jij eet. / Wij heten het. / Zij eten het. (e.d.)]








    1.4.2 - Werkwoorden verdelen in -ru en -u werkwoorden


    Voordat we werkwoordsvervoegingen kunnen gaan leren, moeten we eerst leren hoe werkwoorden ingedeeld zijn. Strikt genomen zijn er een aantal verschillende groepen, maar in de prakijk valt het te verdelen in twee soorten: -ru werkwoorden en -u werkwoorden. 

    Alle -ru werkwoorden (ru-ww) eindigen op een「る」waar een /i/ of /e/ klank aan vooraf gaat. De -u werkwoorden kunnen eindigen op alle verschillende /u/ klanken, inclusief「る」! Als de voorafgaande klank een /a/, /u/ of /o/ is, is het sowieso een -u werkwoord (u-ww), maar als het een /i/ of /e/ is, is het meestal een ru-ww. Er zijn wel wat uitzonderingen, die we in het volgende stukje zullen benoemen. 


    Voor de duidelijkheid een voorbeeld-indeling:

    ru-ww               u-ww  uitz.

    • 見る           話す      する
    • 食べる       聞く       来る
    • 寝る          泳ぐ
    • 起きる      遊ぶ
    • 考える      待つ
    • 教える      飲む
    • 出る          買う
    • 着る          死ぬ
    • いる          ある


    Voorbeelden

    1. トマスは食べる。 Thomas eet. [letterlijk: "wat betreft Thomas, eten"]
    2. メースが来る。  Mees komt.
    3. カレンもする。  Karen doet ook. 
    4. お金がある。   Er is geld.
    5. 私は買う。    Ik koop.
    6. 猫はいる。    Er zijn katten.



    1.4.3 - Uitzonderingen: -u werkwoorden met -iru / -eru


    Dit is dus een lijstje van -u werkwoorden die eindigen op "-iru / -eru" (en daarmee lijken op -ru werkwoorden). Het is niet volledig, maar bevat de vaakst gebruikte werkwoorden die je tegen zou kunnen komen. Ze staan ongeveer op volgorde van frequentie / niveau.


    Woordenschat

    1. 要る【い・る】- nodig hebben (nodig zijn)
    2. 帰る【かえ・る】- terugkeren
    3. 切る【き・る】- snijden
    4. しゃべる【喋る】- kletsen
    5. 知る【し・る】- weten
    6. 入る【はい・る】- naar binnen gaan
    7. 走る【はし・る】- rennen
    8. 減る【へ・る】- afnemen
    9. 限る【かぎ・る】- begrenzen
    10. 焦る【あせ・る】- zich haasten
    11. 蹴る【け・る】- schoppen
    12. 滑る【すべ・る】- glad zijn
    13. 握る【にぎ・る】- grijpen
    14. 練る【ね・る】- kneden
    15. 参る【まい・る】- gaan / komen; bezoeken
    16. 交じる【ま・じる】- mengen 
    17. 嘲る【あざけ・る】- bespotten
    18. 覆る【くつがえ・る】- omslaan, omdraaien
    19. 遮る【さえぎ・る】- onderbreken
    20. 罵る【ののし・る】- (uit)schelden
    21. 捻る【ひね・る】- (ver)draaien
    22. 翻る【ひるがえ・る】- uitspringen, flapperen
    23. 滅入る【めい・る】- depressief voelen
    24. 蘇る 【よみがえ・る】- herleven

    Woordenschat

    1. 食べる【た・べる】(ru-ww) - eten
    2. 分かる【わ・かる】(u-ww) - begrijpen
    3. 見る【み・る】(ru-ww) - zien
    4. 寝る【ね・る】(ru-ww) - slapen, naar bed gaan
    5. 起きる【お・きる】(ru-ww) - opstaan
    6. 考える【かんが・える】(ru-ww) - (na)denken
    7. 教える【おし・える】(ru-ww) - leren [aan]
    8. 出る【で・る】(ru-ww) - ergens uit komen
    9. 着る【き・る】(ru-ww) - [kleding] dragen
    10. 話す【はな・す】(u-ww) - praten, spreken
    11. 聞く【き・く】(u-ww) - horen, luisteren
    12. 泳ぐ【およ・ぐ】(u-ww) - zwemmen
    13. 遊ぶ【あそ・ぶ】(u-ww) - spelen, uitgaan
    14. 待つ【ま・つ】(u-ww) - wachten
    15. 飲む【の・む】(u-ww) - drinken
    16. 買う【か・う】(u-ww) - kopen
    17. 死ぬ【し・ぬ】(u-ww) - sterven
    18. ある (u-ww) - "er" zijn [niet-levend]
    19. いる (u-ww) - "er" zijn [levend]
    20. する (uitzondering) - doen
    21. 来る【く・る】(uitzondering) - komen
    22. お金【お・かね】- geld
    23. 私【わたし】- ik, mij
    24. 猫【ねこ】- kat, poes
     
     
     

    1.5 - Ontkennende vorm van werkwoorden

     

    1.5.1 – Werkwoorden vervoegen naar ontkenning


    Nu we gezien hebben hoe we dingen kunnen beschrijven en handelingen uit kunnen voeren, willen we datzelfde ook kunnen in ontkenningen. M.a.w. we willen kunnen zeggen dat iets niet gedaan is. Het idee is hetzelfde als bij de “staat van zijn” en adjectieven, met het verschil dat werkwoordsvervoegingen een tikkeltje ingewikkelder zijn.


    We gaan zometeen gebruik maken van het onderscheid tussen werkwoorden dat we in het eerdere onderdeel zagen. Voordat we dat doen bespreken we even één belangrijke uitzondering op de regels voor ontkenning: het werkwoord 「ある」.

    「ある」is een u-ww dat gebruikt wordt om het bestaan (of de aanwezigheid) van niet-levende dingen aan te geven. De tegenhanger voor levende wezens is het ru-ww「いる」. Deze twee werkwoorden verschillen van andere werkwoorden in het feit dat ze geen handeling uitdrukken; ze betekenen allebei enkel “(er) zijn”. De reden dat ik hiermee begin is dat de ontkenning van 「ある」simpelweg「ない」is, wat dus betekent “is (er) niet”. De ontkenning van alle andere werkwoorden wordt gevormd door 「ない」achter een stam te plaatsen.


    Vervoegingsregels per werkwoordsoort:

    Voor ru-ww: haal de 「る」eraf en vervang het door「ない」. 
    • Bijvoorbeeld: 食べる → 食べない
    Voor u-ww eindigend op「う」: vervang de「う」door「わ」en voeg「ない」toe. 
    • Bijvoorbeeeld: 買う → 買わない
    Voor alle andere u-ww: vervang de laatste /u/ klank door een /a/ klank en voeg「ない」toe.
    • Bijvoorbeeld: 待つ → 待たない


    Uitzonderingen:

    • ある → ない
    • する → しない
    • 来る → こない


    ru-ww u-ww uitz.

    • 見る   → 見ない     話す → 話さない    する → しない
    • 食べる  → 食べない    聞く → 聞かない    来る → こない
    • 寝る   → 寝ない     泳ぐ → 泳がない    ある ⋆ → ない
    • 起きる  → 起きない    遊ぶ → 遊ばない
    • 考える  → 考えない    待つ → 待たない
    • 教える  → 教えない    飲む → 飲まない
    • 出る   → 出ない     死ぬ → 死なない
    • 着る   → 着ない     帰る → 帰らない
    • いる   → いない     買 → 買ない



    Voorbeelden

    1. サンネは食べない。     Sanne eet niet.
    2. トムが遊ばない。      Tom (is degene die) niet speelt.
    3. ハンスもしない。      Hans doet ook niet.
    4. お金がない。        Er is geen geld.
    5. 私は買わない。       (Wat betreft) Ik, koop (het) niet.
    6. 猫はいない。        Er is geen kat.



    Woordenschat
    • ある (u-ww) - "er" zijn [niet-levend]
    • いる (u-ww) - "er" zijn [levend]
    • 買う【か・う】(u-ww) - kopen
    • 待つ【ま・つ】(u-ww) - wachten
    • する (uitzondering) - doen
    • 来る【く・る】(uitzondering) - komen
    • 食べる【た・べる】(ru-ww) - eten
    1. 分かる【わ・かる】(u-ww) - begrijpen
    2. 見る【み・る】(ru-ww) - zien
    3. 寝る【ね・る】(ru-ww) - slapen, naar bed gaan
    4. 起きる【お・きる】(ru-ww) - opstaan
    5. 考える【かんが・える】(ru-ww) - (na)denken
    6. 教える【おし・える】(ru-ww) - leren [aan]
    7. 出る【で・る】(ru-ww) - ergens uit komen
    8. 着る【き・る】(ru-ww) - [kleding] dragen
    9. 話す【はな・す】(u-ww) - praten, spreken
    10. 聞く【き・く】(u-ww) - horen, luisteren
    11. 泳ぐ【およ・ぐ】(u-ww) - zwemmen
    12. 遊ぶ【あそ・ぶ】(u-ww) - spelen, uitgaan
    13. 飲む【の・む】(u-ww) - drinken
    14. 死ぬ【し・ぬ】(u-ww) - sterven
    15. お金【お・かね】- geld
    16. 私【わたし】- ik, mij
    17. 猫【ねこ】- kat, poes


    1.6 - Verleden tijd van werkwoorden

     
    We ronden de basiseigenschappen van werkwoorden af met het leren van de verleden tijd (en ontkenning in verleden tijd). Wat volgt is mogelijk één van de lastigste vervoegingen die je gaat leren, omdat er verschillende uitgangen zijn voor verschillende werkwoorden. Klein lichtpuntje: als je dit eenmaal onder de knie hebt volgt alles wat hierna komt ongeveer dezelfde regels. Om te beginnen met de makkelijkste categorie:


    1.6.1 - De verleden tijd van -ru werkwoorden


    Vervoegingsregel:

    Laat de 「る」weg en plak er「た」achter. Bijvoorbeeld:
    • 出る → 出た
    • 捨てる → 捨てた

    Voorbeelden

    1. ご飯は食べた。 (Wat betreft) Eten, at. 
    2. 映画は全部見た。 Films, zag allen. 


    1.6.2 - De verleden tijd van -u werkwoorden

    Een u-ww vervoegen van de “woordenboekvorm” naar ontkenning is lastiger, omdat het verschilt naar gelang het laatste karakter. Vandaar dat we ze eerst indelen in vier subgroepen, zoals hieronder. Naast de algemene onregelmatige werkwoorden 「する」en「くる」heeft ook「行く」in dit geval een afwijkende verleden tijd. Verder is 「行く」geheel regelmatig, maar om deze reden staat het hieronder bij de uitzonderingen. 


    uitgang niet-verleden verandering verleden tijd

    • す 話す  す → した 話した
    • く 書く  く → いた 書いた
    • ぐ 泳ぐ  ぐ → いだ 泳いだ
    • む 飲む  む → んだ 飲んだ
    • ぬ 死ぬ  ぬ → んだ しんだ
    • ぶ 遊ぶ  ぶ → んだ 遊んだ
    • る 切る  る → った 切った
    • つ 持つ  つ → った 持った
    • う 買う  う → った 買った

    Uitzonderingen

    • する  → した
    • くる → きた
    • 行く → 行った


    Voorbeelden

    1. 勉強は、した。   (Wat betreft) studie, deed. 
    2. 今日は走った。  Vandaag, rende.
    3. 友達が来た。   Vriend (is degene die) kwam.
    4. 私も飲んだ。   Ik ook, dronk.


    1.6.3 - Verleden tijd ontkenning van alle werkwoorden

    Hier hoeven we geen onderscheid te maken tussen ru-ww en u-ww, want de vervoegingsregel voor ontkennende verleden tijd is voor alle werkwoorden hetzelfde. Zo goed als alle werkwoorden eindigen in de ontkennende vorm namelijk in 「ない」, wat dezelfde regels volgt als de i-adjectieven. 

    Vervoegingsregel:

    Zet het woord eerst in de ontkenning, vervang daarna de uitgang「い」door「かった」. Bijvoorbeeld:

    • 捨て → 捨てな  → 捨てなかった
    • → 行かな  → 行かなかった


    Voorbeelden

    1. キムは食べなかった。  (Wat betreft) Kim, at niet. 
    2. バスがしなかった。   Bas (is degene die) deed niet.
    3. トムも行かなかった。  Tom ook, ging niet.
    4. お金がなかった。    Geld was [er] niet.
    5. 私は買わなかった。   Ik kocht niet.
    6. 猫はいなかった。    Kat(ten) was [er] niet. 




    Woordenschat

    1. 出る【で・る】- naar buiten gaan/komen
    2. 捨てる【す・てる】- weggooien
    3. ご飯【ご・はん】- rijst; maaltijd
    4. 食べる【た・べる】- eten
    5. 映画【えい・が】- film
    6. 全部【ぜん・ぶ】- alles
    7. 見る【み・る】- kijken




    Woordenschat
    1. 話す【はな・す】- praten, spreken
    2. 書く【か・く】- schrijven
    3. 泳ぐ【およ・ぐ】- zwemmen
    4. 飲む【の・む】- drinken
    5. 遊ぶ【あそ・ぶ】- spelen, uitgaan
    6. 死ぬ【し・ぬ】- sterven
    7. 切る【き・る】- snijden
    8. 買う【か・う】- kopen
    9. 持つ【も・つ】- hebben, vasthouden
    10. する (uitzondering) - doen
    11. 来る【く・る】- komen
    12. 行く【い・く】- gaan
    13. 今日【きょう】- vandaag
    14. 走る【はし・る】- rennen
    15. 友達【とも・だち】- vriend
    16. 私【わたし】- ik, mij
    17. 勉強【べんきょう】- studie














    Woordenschat
    1. 捨てる【す・てる】(ru-ww) - weggooien
    2. 行く【い・く】(u-ww) - gaan
    3. 食べる【た・べる】(ru-ww) - eten
    4. する (uitzondering) - doen
    5. お金【お・かね】- geld
    6. ある (u-ww) – “er” zijn [niet levend]
    7. 私【わたし】- ik
    8. 買う【か・う】(u-ww) - kopen
    9. 猫【ねこ】- kat, poes
    10. いる (ru-ww) – “er” zijn [levend]

    1.7 - Partikels voor gebruik bij werkwoorden

    In dit onderdeel leren we een aantal nieuwe partikels die essentieel zijn voor het gebruik van werkwoorden. Bijvoorbeeld hoe je het lijdend voorwerp, de bestemming van een verplaatsing, of het tijdstip / de locatie waar een handeling plaatsvindt kunt aanduiden. 



    1.7.1 - Het lijdend voorwerpspartikel「を」


    Het eerste partikel dat we gaan leren is een redelijk eenvoudige. Het karakter「を」wordt achter een woord geplaatst om aan te duiden dat dit de handeling (aangegeven door het werkwoord) ondergaat. Oftewel; dat het een lijdend voorwerp is. Verder kom je het in principe nergens tegen. Hoewel dit partikel geschreven wordt als de /wo/ klank, heeft het in de praktijk meer weg van /o/.  In het Nederlands kennen we zoiets niet, dus blijft het gewoon onvertaald.


    Voorbeelden

    • 魚を食べる。     Vis eten. 
    • ジュースを飲んだ。  Sap gedronken.
    • ボールを蹴る。    Bal schoppen.

    In tegenstelling tot wat we gewend zijn van het lijdend voorwerp in het Nederlands, kunnen plaatsen in het Japans ook lijdend voorwerp zijn van een verplaatsing. Het werkwoord van beweging doet als het ware iets met/aan de locatie. Dit moet in het Nederlands vaak ietsje anders (nl. met voorzetsels) vertaald worden om logisch te klinken, zoals de volgende voorbeelden laten zien. 

    • 街を歩く。     Door stad lopen. [letterlijk: Stad bewandelen]
    • 高速道路を走る。  Over snelweg scheuren. [letterlijk: Snelweg "be-rennen"]. 

    Wanneer je een zelfstandig naamwoord tot werkwoord maakt met behulp van「する」is het partikel「を」optioneel: het zn. en ww. vormen dan één geheel. 
    • 毎日、日本語を勉強する。   Elke dag Japans studeren. [ i.p.v. 勉強する ]
    • メールアドレスを登録した。  Emailadres geregistreerd. 


    1.7.2 - Het doelpartikel「に」


    Het partikel「に」geeft aan dat iets het "doel" is van de handeling. Het meest voor de hand liggende (of makkelijkst te begrijpen) gebruik hiervan is met werkwoorden die een verplaatsing uitdrukken. Het doel is dan letterlijk de bestemming.


    Voorbeelden

    • バスは日本に行った。  Bas ging naar Japan.
    • 家に帰らない。     Niet terugkeren naar huis.
    • 部屋に来る。      Naar kamer komen. 

    Het doel van「に」is echter vrij breed te interpreteren en beperkt zich niet tot werkwoorden van verplaatsing. Ook bij het aanduiden van de locatie waar iets of iemand zich bevindt ー ある・いる ー gebruik je「に」. Sterker nog, het hoeft niet eens een fysieke plek te zijn. Zo krijgen tijdsbepalingen ook dit doelpartikel (te vertalen als “om/op/in”) en vormt het een vaste combinatie bij een aantal andere werkwoorden.


    Voorbeelden

    • 猫は部屋にいる。      Kat is in kamer.
    • いすが台所にあった。    Stoel was in keuken.
    • 7時に朝食を食べる。     Om 7 uur ontbijt eten.
    • 土曜日にスポーツをする。  Op zaterdag sporten.
    • キムは医者になる。     Kim wordt dokter.
    • 先週に友達に会った。    Vorige week vriend ontmoet.


    Let er bij tijdsbepalingen wel op dat dit alleen geldt voor exacte bepalingen: m.a.w. iets dat je op een klok of kalender aan kunt wijzen. Bepalingen die relatief zijn ("gisteren / morgen", "ochtend / avond") is dit niet nodig of onjuist. 




    1.7.3 - Het richtingpartikel 「へ」

    NB: hoewel「へ」normaal wordt uitgesproken als /he/, wordt dat /e/ wanneer het gaat om het partikel.


    Het voornaamste verschil tussen de partikels「に」en「へ」is dat eerstgenoemde altijd verwijst naar (op / om / aan / e.d.) iets als het uiteindelijke, daadwerkelijke doel (zowel fysiek als abstract) van een handeling. Het partikel「へ」daarentegen geeft enkel een richting aan van de handeling. Zolang je je bewust bent van dat nuance verschil, zijn ze in principe volkomen uitwisselbaar wanneer het gaat om werkwoorden van verplaatsing.


    Voorbeelden

    • バスは日本行った。  Bas ging richting Japan.
    • 家へ帰らない。     Niet richting huis terugkeren. 
    • 部屋へ来る。      Richting kamer komen. 

    In combinatie met andere werkwoorden gaat dit dus niet op:

    • 医者へなる。  Dokter worden.     moet zijn --> 医者なる。
    • 彼へ会わない。 Hem niet ontmoeten.  moet zijn --> 彼会わない。


    Dat wil niet zeggen dat het helemaal niet gebruikt kan worden bij abstracte concepten. Misschien wel vanwege het ietwat vagere "doel" van「へ」is het namelijk wel te gebruiken bij toekomstige doelen of ambities. 

    • 勝ちへ向かう。 Richting overwinning keren.



    1.7.4 - Het contextpartikel「で」


    Met「で」kunnen we aangeven wat de context is van onze handelingen. Bijvoorbeeld waar (in welke omgeving) je een boek leest, en waarmee (met welk hulpmiddel) je naar je werk gaat of je soep eet.


    Voorbeelden

    • 映画館で見た。     Zag in bioscoop.
    • 電車で帰る。      Teruggaan met trein. 
    • レストランで食べた。  In restaurant gegeten. 

     


    1.7.5 – Als de locatie het onderwerp is


    Het kan natuurlijk gebeuren dat de plaats waar je naar toe gaat of waar je iets doet, tevens het onderwerp is. Niet een "handelend onderwerp" in de (Nederlandse) grammaticale zin, maar het onderwerp van het gesprek. In die gevallen kun je de partikels「は」of「も」achter de plaatspartikels「に」,「へ」of「で」zetten.


    Voorbeelden

    ハンス:学校に行った?       Hans: Naar school gegaan?
    カリン:行かなかった。       Karin: Niet gegaan. 
    ハンス:図書館には?        Hans: Naar bibliotheek?
    カリン:図書館にも行かなかった。  Karin: Ook naar bibliotheek niet gegaan. 


    In dit voorbeeld brengt Hans een nieuw onderwerp ter sprake, de bieb, wat daarom aangeduid wordt met het onderwerpspartikel「は」. Eigenlijk is het een ingekorte versie van「図書館には行った?」: "Wat betreft naar de bieb, gegaan?"


    ハンス:どこで食べる?     Hans: Waar eten?
    カリン:レストランではどう?  Karin: Hoe is restaurant?  ["wat denk je van ~"]

    Woordenschat

    • 魚【さかな】- vis
    • 食べる【た・べる】(ru-ww) - eten
    • ジュース - sap
    • 飲む【の・む】(u-ww) - drinken
    • ボール - bal
    • 蹴る【け・る】(u-ww) - schoppen
    • 街【まち】- stad
    • 歩く【ある・く】(u-ww) - wandelen
    • 高速【こう・そく】- hoge snelheid
    • 道路【どう・ろ】- weg, route
    • 走る【はし・る】(u-ww) - rennen
    • 毎日【まい・にち】- elke dag
    • 日本語【に・ほん・ご】- Japans(e taal)
    • 勉強【べん・きょう】- studie
    • する (uitzondering) - doen
    • メールアドレス - email adres
    • 登録【とう・ろく】- registratie















    Woordenschat

    • 日本【に・ほん】- Japan
    • 行く【い・く】(u-ww) - gaan
    • 家【1.いえ;2.うち】- 1) huis; 2) thuis
    • 帰る【かえ・る】(u-ww) - terugkeren
    • 部屋【へ・や】- kamer
    • 来る【く・る】(uitzondering) - komen
    • アメリカ - Amerika (de V.S.)
    • 今日【きょう】- vandaag
    • 明日【あした】- morgen
    • 猫【ねこ】- kat, poes
    • いる (ru-ww) - "er" zijn [levend]
    • いす - stoel
    • 台所【だい・どころ】- keuken
    • ある (u-ww) - "er" zijn [niet-levend]
    • 友達【とも・だち】- vriend
    • 会う【あ・う】(u-ww) - ontmoeten
    • 医者【い・しゃ】- dokter
    • なる (u-ww) - worden
    • 先週【せん・しゅう】- vorige week













    Woordenschat

    • 日本【に・ほん】- Japan
    • 行く【い・く】(u-ww) - gaan
    • 家【1.いえ;2.うち】- 1) huis; 2) thuis
    • 帰る【かえ・る】(u-ww) - terugkeren
    • 部屋【へ・や】- kamer
    • 来る【く・る】(uitzondering) - komen
    • 医者【い・しゃ】- dokter
    • なる (u-ww) - worden
    • 勝ち【か・ち】 - overwinning
    • 向かう【む・かう】(u-ww) - keren, zich richten naar












    Woordenschat

    • 映画館【えい・が・かん】- bioscoop
    • 見る【み・る】(ru-ww) - zien
    • 電車【でん・しゃ】 - trein
    • 帰る【かえ・る】(u-ww) - terugkeren
    • レストラン - restaurant
    • 食べる【た・べる】(ru-ww) - eten





    Woordenschat

    • 学校【がっこう】- school
    • 行く【い・く】(u-ww) - gaan
    • 図書館【と・しょ・かん】- bibliotheek
    • どこ – waar (vragend voornaamwoord)
    • レストラン - restaurant
    • どう - hoe



    1.8 - Transitieve en Intransitieve werkwoorden

    In het Japans zijn er soms twee versies van eenzelfde werkwoord, waarvan één transitief is en de ander intransitief. Wat is dan het verschil? Transitieve werkwoorden worden gedaan "met" iets, terwijl intransitieve werkwoorden zelfstandig zijn. Soms is dit in het Nederlands hetzelfde werkwoord. Bijvoorbeeld:

    • 「ドアを閉める」deur sluiten   "Ik sluit de deur."  --> transitief
    • 「ドア閉まる」deur sluiten   "De deur sluit (zich)." --> intransitief


    In veel gevallen hebben we het Nederlands echter ofwel bij de één of de ander een hulpwerkwoord nodig. Bijvoorbeeld:

    • 「ボールを落とした」"Ik liet de bal vallen."  
    • 「ボールが落ちた」  "De bal viel."



    1.8.1 - Let op de partikels!


    Onderstaande lijstje is een kleine greep uit transitieve werkwoorden en hun intransitieve tegenhangers.


    Woordenschat

         transitief                 intransitief

    • 落とす   laten vallen           落ちる  vallen
    • 出す    eruit halen                    出る   naar buiten gaan
    • 入れる   erin stoppen           入る   naar binnen gaan
    • 開ける   openen, openmaken       開く   openen, opengaan
    • 閉める   sluiten, dichtmaken      閉まる   sluiten, dichtgaan
    • 付ける   bevestigen         付く    bevestigd worden
    • 消す    wissen, uitdoen       消える  gewist worden, verdwijnen

    Het belangrijkste dat je moet weten bij het gebruik hiervan is welk partikel hoort bij welke werkwoordsoort: wanneer je iets doet "aan" wat anders (transitief) krijgt het zelfstandig naamwoord een lijdend voorwerpspartikel を, en wanneer iets zelf wat doet (intransitief) krijgt het een identificatiepartikel が of onderwerpspartikel は. Weet je niet zeker welke soort het is, dan kun je gebruik maken van een online woordenboek (zoals jisho) om dit even te controleren. 


    Voorbeelden

    • 電気をつけた。     Deed het licht aan.
    • 電気がついた。     Licht ging aan. 
    • 電気を消す。      Licht uitdoen. 
    • 電気が消える。     Licht gaat uit. 
    • 誰が窓を開けた?    Wie opende raam?
    • 窓がどうして開いた?  Waarom ging/is raam open?

    Het enige geval waarin je het partikel「を」kunt gebruiken in combinatie met intransitieve werkwoorden, is als een locatie het lijdend voorwerp is van een verplaatsing (zoals beschreven in het vorige onderdeel).
    • 部屋を出た。 Verliet kamer. 

    1.9 - Betrekkelijke bijzinnen en algemene zinsopbouw

    In zekere zin lijken de vervoegingen van heel wat werkwoorden en uitdrukkingingen van hoedanigheid「だ」op de vervoegingen van i-adjectieven. Ze zijn namelijk ook min of meer op dezelfde manier te gebruiken. Neem bijvoorbeeld “De persoon die geen groenten at, ging naar de bank.” Het stuk “die geen groenten at” is wat we in het Nederlands een bijvoeglijke/betrekkelijke bijzin noemen en vormt een beschrijving van “De persoon”. In het Japans kun je zoiets direct vóór een zelfstandig naamwoord plaatsen, alsof het een gewoon adjectief is. 「野菜を食べなかった人は銀行に行った。」Op die manier kun je met elk willekeurig werkwoord een bijvoeglijke bijzin maken!



    1.9.1 – Bijzin met staat van hoedanigheid als adjectief


    Bij bepalingen van hoedanigheid geldt dat zowel de ontkenning, verleden tijd, als vervoeging van ontkennende verleden tijd allemaal direct toegepast kunnen worden als bijvoeglijke bepaling voor een zelfstandig naamwoord. Dat kan echter niet met de gewone niet-verleden tijd「だ」. Daar zijn in het Japans andere constructies voor, die we in de volgende sectie behandelen.


    Voorbeelden

    • 子供だった妹は、立派な大人になった。  Zusje die kind was, is uitstekende volwassene geworden.
    • 学生じゃない人は、学校に行かない。    Persoon die niet student is, gaat niet naar school.
    • 友達じゃなかったベンがいい友達になった。 De Ben die geen vriend was, werd goede vriend.

    NB: Je kunt「だ」niet op dezelfde manier gebruiken als「だった」、「じゃない」、en「じゃなかった」om een zelfstandig naamwoord aan te passen!


    Wat je wel kunt doen, is een heleboel zelfstandig naamwoorden aan elkaar rijgen zonder dat ze elkaar aanpassen. In een titel als "Internationaal Onderwijscentrum" kun je duidelijk zien dat het gewoon een reeks woorden is zonder grammaticale connectie. Het heet geen "Centrum voor het Onderwijs dat Internationaal is". Ook in het Japans doet men dit, met bijvoorbeeld 「国際教育センター」. Bepaalde combinaties zijn soms zo alledaags dat ze haast als zelfstandige woorden functioneren en misschien zelfs als zodanig in een woordenboek staan. Combinaties zoals 「立入禁止」"Verboden Toegang" of「登場人物」"Personages". Als je niet goed weet of kunt zien waar het ene woord ophoudt en de volgende begint kun je ze invoeren in een online woordenboek, waar ze (meestal) automatisch gesplitst worden. 



    1.9.2 – Bijzinnen met werwoorden als adjectief


    Ook werkwoorden kunnen we dus gebruiken als adjectieven om er zelfstandig naamwoorden mee aan te passen. In zo'n bijvoeglijke bijzin (voorafgaand aan het eerste werkwoord) kunnen ook nog andere bepalingen en partikels komen te staan, waardoor je al gauw vrij gedetaileerde en complexe zinnen kunt maken. 


    Voorbeelden

    • 先週、映画を見た人は誰?        Wie is persoon die vorige week film keek?
    • ボッブはいつも勉強する人だ。      Bob is persoon die altijd studie doet (d.w.z. studeert). 
    • 赤いズボンを買う友達はフランスだ。   Frans is vriend die rode broek koopt. 
    • 朝ご飯を食べなかった人は、       Persoon die ontbijt niet at, 
      映画で見た銀行に行った。           ging naar in film geziene bank.  



    1.9.3 – Woordvolgorde


    Met het concept van bijzinnen onder de knie hebben we genoeg bouwblokken om lange volledige zinnen te maken, dus kunnen we door naar hoe een Japanse zin nou eigenlijk in elkaar zit. Regelmatig ziet de woordvolgorde eruit als precies het omgekeerde van hoe in het Nederlands zou zijn:

    • 映画館で友達と一緒に映画を見る。
    • Kijk film samen met vrienden in bioscoop.


    Zodoende zou je kunnen denken dat het Japans altijd het tegenovergestelde doet van het Nederlands. De enige regel die echter vaststaat is dat het werkwoord achteraan komt. Alles wat vóór het werkwoord staat is redelijk flexibel en het werkwoord zelf is het enige noodzakelijke onderdeel om een volledige zin te vormen. Het hele nut van al die partikels is immers dat de woordfunctie altijd direct duidelijk is, ongeacht in welke volgorde je ze noemt. Natuurlijk bestaan er volgordes die gebruikelijker zijn dan anderen, en de vraag of iets natuurlijk klinkt voor een moedertaalspreker is weer een ander verhaal, maar in principe zijn alle onderstaande voorbeelden (in ieder geval grammaticaal) juist en volledig:


    Voorbeelden

    • 私は公園でお弁当を食べた。
    • 公園で私はお弁当を食べた。
    • お弁当を私は公園で食べた。
    • 弁当を食べた。
    • 食べた。

    Woordenschat

    • 国際【こく・さい】- internationaal
    • 教育【きょう・いく】- opvoeding, onderwijs
    • センター - centrum
    • 登場【とう・じょう】- entree (op toneel)
    • 人物【じん・ぶつ】- karakter
    • 立入【たち・いり】- [het] naar binnen gaan
    • 禁止【きん・し】- verbod
    • 学生【がく・せい】- student, leerling
    • 人【ひと】- mens, persoon
    • 学校【がっこう】- school
    • 行く【い・く】(u-ww) - gaan
    • 子供【こ・ども】- kind
    • 弟【おとうと】- jongere broer
    • 立派【りっぱ】(na-adj) - uitstekend
    • 大人【おとな】- volwassene
    • なる (u-ww) - worden
    • 友達【とも・だち】- vriend
    • いい (i-adj) - goed










    Woordenschat

    • 先週【せん・しゅう】- vorige week
    • 映画【えい・が】- film
    • 見る【み・る】(ru-ww) - kijken
    • 人【ひと】- mens, persoon
    • 誰【だれ】- wie
    • いつも - altijd
    • 勉強【べん・きょう】- studie
    • する - doen
    • 赤い【あか・い】- rood
    • ズボン - broek
    • 買う【か・う】(u-ww) - kopen
    • 友達【とも・だち】- vriend
    • 朝ご飯【あさ・ご・はん】- ontbijt
    • 食べる【た・べる】(ru-ww) - eten
    • 銀行【ぎん・こう】- bank [financiële instelling]


    Woordenschat

    • 映画館【えい・が・かん】- bioscoop
    • 友達【とも・だち】- vriend
    • 一緒【いっしょ】- samen
    • 映画【えい・が】- film
    • 見る【み・る】(ru-ww) - kijken
    • 私【わたし】- ik, mij
    • 公園【こう・えん】- park
    • お弁当【お・べん・とう】- lunchpakket
    • 食べる【た・べる】(ru-ww) - eten
    • 学生【がく・せい】- student, leerling
    • 行く【い・く】(u-ww) - gaan

     

    1.10 -  Verbindingspartikels bij zelfstandig naamwoorden

     

    1.10.1 - Inclusiviteitspartikel と


    Het partikel「と」lijkt wel wat op「も」in dat het ook een inclusiviteit aanduidt. Het combineert twee of meer zelfstandig naamwoorden en betekent in die zin "en". 

    • ナイフとフォークで食べる。 Met mes en vork eten. 
    • 本と雑誌と葉書を買った。 Boek [en], tijdschrift en postkaart gekocht.

    Daarnaast drukt het op vergelijkbare wijze uit dat een handeling "met" iets of iemand is gedaan.

    • 友達と話した。 Met vriend gepraat.
    • 医者と相談した。 Met dokter overlegd.





    1.10.2 - Vage opsommingspartikels「や」en「とか」


    Het partikel「や」verbindt net als「と」twee of meer zelfstandig naamwoorden, maar is niet even specifiek. Het impliceert dat er nog andere dingen bij zouden kunnen horen die niet genoemd zijn, of juist dat gezegde misschien niet voor alle genoemde dingen geldt. Zie het als "enzo". 


    • 飲み物やカップやナプキンは、いらない? 
    [Dingen zoals] drankjes [en], bekers en servetjes enzo, niet nodig? 
    • 靴やシャツを買う。
    [Dingen zoals] schoenen en shirts kopen. 

    「とか」heeft in feite dezelfde betekenis en gebruikswijze, maar is meer spreektaal/"volks". 

    • 飲み物とかカップとかナプキンは、いらない? 
    [Dingen zoals] drankjes [en], bekers en servetjes ofzo, niet nodig?
    • 靴とかシャツを買う。 
     [Dingen zoals] schoenen en shirts [ofzo] kopen.



    1.10.3 - Het partikel「の」


    Het partikel「の」is een veelzijdig en krachtig partikel. Ik had er wellicht een aparte sectie over kunnen maken, maar plaats het voorlopig hier omdat het net als「と」en「や」voornamelijk een verbindend partikel is tussen zelfstandig naamwoorden. In de eenvoudigste zin betekent dit "van", dus laten we daarmee beginnen. Maar... het staat dan wel in een volgorde die een beetje verschilt van het Nederlands: eerst de bezitter, dan het bezit. 


    • ボッブの本。  Boek van Bob.
    • 本のボッブ。  Bob van boek. 

    Letterlijk vertaald ziet de eerste zin er heel gek uit, namelijk precies zoals de vertaling van de tweede zin luidt. Hoewel die volgorde in het Engels inderdaad onlogisch is, kan het in het Nederlands eigenlijk wel gewoon. Wij hebben namelijk ook nog een "genitief partikel", de [ 's ]. Oftewel: "Bob's boek." Dat je「の」niet altijd letterlijk met "van" of een " 's" kan vertalen blijkt wel uit het volgende voorbeeld. 

    • キムは、オランダの大学の学生だ。 Kim is student van universiteit van Nederland.  (Holland's universiteit's student)

    Met「オランダの大学」wordt geen bezit ("een universiteit die van Nederland is") aangeduidt maar een relatie tussen de twee zelfstandig naamwoorden. In normaal Nederlands zouden we dat vertalen als "een Nederlandse universiteit." Een andere manier om zo'n「の」te zien is dus als de bijvoeglijke "-e" toevoeging, zoals in onderstaande voorbeelden. Let wel goed op dat je het Japans niet in onze woordvolgorde gaat gebruiken!「学生のオランダの大学」wordt iets als "de universiteit van het Nederland van de studenten (de studenten-holland?)". 

    • トムも、オランダ大学生だ。 Ook Tom is Nederlandse universiteitsstudent. 
    • フランス料理が好きだ。 Franse gerechten zijn geliefd. ("Ik houd van ~ ")


    Woordenschat

    • ナイフ - mes
    • フォーク - vork
    • 食べる【た・べる】(ru-ww) - eten
    • 本【ほん】- boek
    • 雑誌【ざっし】- tijdschrift
    • 葉書【は・がき】- postkaart
    • 買う【か・う】(u-ww) - kopen
    • 友達【とも・だち】- vriend
    • 話す【は・なす】(u-ww) - spreken
    • 医者【い・しゃ】- 
    • 相談【そう・だん】- overleg, consult
    • する (onregelmatig) - doen



    Woordenschat

    • 飲み物【の・み・もの】- drankje, iets te drinken
    • カップ - beker
    • ナプキン - servetje
    • 要る【い・る】(u-ww) - nodig hebben, nodig zijn
    • 靴【くつ】- schoen
    • シャツ - shirt
    • 買う【か・う】(u-ww) - kopen









    Woordenschat

    • 本【ほん】- boek
    • オランダ - Nederland
    • 大学【だい・がく】- universiteit, hogeschool
    • 学生【がく・せい】- student, leerling
    • シャツ - shirt
    • 誰【だれ】- wie
    • 白い【しろ・い】(i-adj) - wit
    • かわいい - schattig, lief
    • 授業【じゅ・ぎょう】- [klassikale] les 
    • 行く【い・く】(u-ww) - gaan
    • 忘れる【わす・れる】- vergeten
    • 事【こと】- iets, zaak, feit/gebeurtenis
    • 物【もの】- ding
    • 毎日【まい・にち】- elke dag
    • 勉強【べん・きょう】- studie
    • する (onregelmatig) - doen
    • 大変【たい・へん】(na-adj) - vervelend, lastig
    • 同じ【おな・じ】- de-/hetzelfde
    • 食べる【た・べる】- eten
    • 面白い【おも・しろ・い】(i-adj) - interessant, amusant
    • 静か【しず・か】(na-adj) - rustig, stil
    • 部屋【へ・や】- kamer
    • 人【ひと】- persoon, mens
    • 学校【がっこう】- school

    Na een eerder genitief gebruik, kan het partikel「の」ook dienst doen als verwijswoord. Zolang uit de context duidelijk is waar het om gaat, kan het zelfstandig naamwoord de daaropvolgende keren worden weggelaten. Dus in plaats van:
    • 白いシャツは誰のシャツ?  Wit shirt is wiens shirt? 
    • ボッブのシャツだ。     Het is Bob's shirt. 

    Zeg je simpelweg: 
    • 白いシャツは誰の シャツ?  Wit shirt is die van wie?
    • ボッブの シャツ だ。    Die van Bob.

    Dit verwijswoord is nog steeds een soort "van", zoals de vertaling al duidelijk maakt. Het partikel「の」kan in vergelijkbare zinnen ook de rol van zelfstandig naamwoord helemaal overnemen. In onderstaande voorbeelden wordt in eerste instantie de algemene woorden gebruikt voor "ding"「物」(meestal concreet, fysiek object) en "iets"「こと」(vaak abstractere zaken). 
    • 白い物はかわいい。     Wit ding is schattig. 
    • 授業に行くことを忘れた。  Vergat het feit van het gaan naar de les. 

    In de volgende voorbeelden zie je dat we met behulp van「の」adjectieven en werkwoorden ook kunnen "substantiveren"; het worden dan eigenlijk gewoon zelfstandig naamwoorden en dus kunnen we ze inzetten met onderwerp-, indentificatie-, of lijdend voorwerpspartikels.
    • 白いのはかわいい。     De witte is schattig. 
    • 授業に行くのを忘れた。   Vergat het naar de les gaan

    Het handige hiervan is dat「の」geen specifiek zelfstandig naamwoord hoeft te vervangen. Op die manier kun je complete bijzinnen tot onderwerp maken van de hoofdzin. 
    • 毎日運動するのは大変だ。        Het elke dag doen van lichamelijke beweging is zwaar.  ("Elke dag sporten ~")
    • 毎日同じ物を食べるのは、面白くない。  Elke dag hetzelfde [ding] eten is niet interessant. 

    LET OP: 
    Nu lijkt het misschien alsof je elk willekeurig zelfstandig naamwoord kunt vervangen door「の」, maar dat kan niet. De rest van de zin moet dan wel betrekking hebben op de hele bijzin en niet alleen het woord dat vervangen werd. Neem de voorbeeldzin die we in de vorige sectie hadden: 
    • 学生じゃない人は、学校に行かない。   Personen die niet student zijn, gaan niet naar school. 
    • 学生じゃないのは、学校に行かない。   Het niet student zijn, gaat niet naar school. 

    Wanneer je zelfstandig naamwoorden vervangt die beschreven worden met na-adjectieven moet het koppelstuk「な」blijven staan. 
    • 静かな部屋が、アリスの部屋だ。  De stille kamer is de kamer van Alice. 
    • 静かなが、アリスの部屋だ。   De stille is Alice's kamer. 

    1.11 - Bijwoorden en slotpartikels

     

    1.11.1 - De eigenschappen van bijwoorden


    Nu we heel wat manieren hebben om zelfstandig naamwoorden in meer detail te omschrijven, gaan we door naar bijwoorden. Voor de duidelijkheid: bijwoorden zijn woorden die een ander element uit de zin aanpassen/omschrijven, zoals een werkwoord of bijvoeglijk naamwoord. Vaak kun je ze zien als het antwoord op een vraag als "hoe, waar, wanneer". Bijvoorbeeld: "Zij eten snel." of "Ik schreef duidelijk." In het Nederlands is zo'n geval qua vorm niet te onderscheiden van een bijvoeglijk naamwoord; je moet het kunnen zien aan de plaats in de zin. 


    In het Japans zijn ze wel makkelijk te onderscheiden (terwijl je er geen nieuw woord voor hoeft te leren). Bijwoorden maak je in de meeste gevallen namelijk van bijvoeglijk naamwoorden. Daarvoor zijn er twee regels, één voor i-adjectieven en één voor na-adjectieven:

    • Voor い adj.     --> vervang de「い」door「く」 
    • Bijv.:  早い (snel)   → 早く (op snelle wijze)

    • Voor な adj.     --> vervang de「な」door「に」 
    • Bijv.:  静かな (stil)  → 静かに (op stille wijze)

    Voorbeeld
    • トムは朝ご飯を早く食べた。     Tom at snel ontbijt. 
    • 図書館の中では、静かにする。    In de bibliotheek, stilletjes doen. 
    • アンネは自分の部屋をきれいにした。 Anne deed haar eigen kamer "naar schoon". 

    Zo letterlijk vertaald klinkt die laatste natuurlijk best vreemd, maar het geeft misschien beter aan waarom het doelpartikel「に」toegepast wordt. Je zou het ook kunnen vertalen als "deed op schone manier haar kamer" of nog minder letterlijk; "maakte haar kamer schoon".


    Niet alle bijwoorden komen van bijvoeglijk naamwoorden. Er zijn er ook die geen vervoegingen of partikels krijgen, maar in plaats daarvan direct voor het aan te passen woord gezet worden. 


    Voorbeelden

    • 映画をたくさん見た。     Films veel gezien. 
    • 最近、全然飲まない。     Recentelijk, helemaal niet drinken.
    • ケースの声は、結構大きい。  Kees' stem is behoorlijk groot [d.w.z. "luid"].


    1.11.2 - Partikels aan het einde van zinnen


    Sommige partikels komen altijd aan het einde van een zin, niet vanwege enige concrete betekenis, maar om de "toon" of het "gevoel" van de zin aan te passen. Hier bespreken we de twee meest gebruikte. 


    「ね」"hè"

    Mensen zeggen「ね」meestal aan het einde van hun zinnen wanneer ze een beetje bevestiging zoeken van wat ze zojuist zeiden. Het impliceert dat je er vanuit gaat dat de ander deze informatie of mening deelt. Een beetje zoals "hè" in het Nederlands dus.


    • バス:いい天気だね。         Bas: Mooi weer hè.
    • サンネ:そうね。           Sanne: Ja hè. 
    • バス:おもしい映画だったね。     Bas: Was een leuke film hè. 
    • サンネ:え?全然おもしろくなかった。 Sanne: Huh? Was helemaal niet boeiend. 


    「よ」"hoor"

    Wanneer「よ」wordt toegevoegd wil iemand aangeven dat het waarschijnlijk nieuwe (onbekende of onbegrepen) informatie is voor de luisteraar. Ook kun je daarmee nadruk leggen op wat je zojuist zei, of een bewering kracht bij zetten. 


    • サンネ:時間がないよ。        Sanne: Er is geen tijd hoor.
    • バス:大丈夫だよ。          Bas: Is ("komt wel") goed hoor.
    • サンネ:今日はいい天気だね。     Sanne: Mooi weer vandaag hè.
    • バス:うん。でも、明日雨が降るよ。  Bas: Ja. Maar morgen gaat het regenen hoor. 


    「よね」"echt hè"

    Wat je ook nog kunt doen is beide partikels combineren tot「よね」. Dit is dus wanneer je enerzijds de luisteraar ergens over informeert of je punt wil benadrukken, en tegelijkertijd naar instemming zoekt. De volgorde van de combinatie is niet om te keren. 


    • マリア:ボッブは、魚が好きだよね。 Maria: [Bob] Jij houd echt van vis hè. 
    • ボッブ:そうだね。 Bob [instemmend]: Ja hè. 



    Woordenschat

    • 早い・速い【はや・い】- snel, vroeg
    • きれい【綺麗】- mooi, schoon
    • 朝ご飯【あさ・ご・はん】- ontbijt
    • 食べる【た・べる】(u-ww) - eten
    • 自分【じ・ぶん】- eigen, jezelf
    • 部屋【へ・や】- kamer
    • 映画【えい・が】- film
    • たくさん【沢山】- veel
    • 見る【み・る】(u-ww) - zien, kijken
    • 最近【さい・きん】- recentelijk
    • 全然【ぜん・ぜん】- helemaal niet [met ontkenning]
    • 声【こえ】- stem
    • 結構【けっこう】- redelijk, nogal
    • 大きい【おお・きい】(i-adj) - groot
    • 図書館【と・しょ・かん】- bibliotheek
    • 中【なか】- binnen, in 
    • 静か【しず・か】(na-adj) - rustig, stil
























    Woordenschat

    • いい (i-adj) - goed
    • 天気【てん・き】- (het) weer 
    • そう - het is zo / zo is het; op die manier
    • 面白い【おも・しろ・い】- leuk, interessant, amusant
    • 映画【えい・が】- film
    • 全然【ぜん・ぜん】- helemaal niet [met ontkenning]
    • 時間【じ・かん】- tijd
    • ある (u-ww) - "er" zijn [levend]
    • 大丈夫【だい・じょう・ぶ】(na-adj) - in orde, OK
    • 今日【きょう】- vandaag
    • うん - ja (informeel), yep
    • でも - maar
    • 明日【あした】- morgen
    • 雨【あめ】- regen
    • 降る【ふ・る】(u-ww) - vallen [neerslag]
    • 魚【さかな】- vis
    • 好き【す・き】(na-adj) - geliefd

    Door naar [Grammatica: essentieel] 

    Geachte bezoeker


    De Nederlandstalige (Japanse) Grammatica Gids wordt bij wijze van vrijwilligerswerk door mij vertaald voor hen die minder vaardig in Engels zijn. Aangezien veel zelfstudiemateriaal -waaronder de originele versie van deze teksten- op het Internet voor iedereen toegankelijk is, wil ik uiteraard ook deze vertaling kosteloos aanbieden aan ieder die hierin geïnteresseerd is. Dat neemt niet weg dat er veel tijd in gaat zitten. In het geval dat u mijn werk op prijs stelt, bent u van harte welkom de uitbreiding en het onderhoudt hiervan te ondersteunen, door bijv. de kosten van een kop コーヒー (koffie), een サンドウィッチ (broodje) of een ピザ (pizza) te doneren.